← Grammatica-naslagwerk

Voornaamwoorden · niveau A1

Persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden

Jag/mig/min, plus het geslachtsneutrale hen en de spiegelvorm sin.

Overzicht

OnderwerpVoorwerpBezittelijk (en / ett / mv.)
jagmigmin / mitt / mina
dudigdin / ditt / dina
hanhonomhans
honhennehennes
henhenhens
den / detden / detdess
viossvår / vårt / våra
nierer / ert / era
de (dom)dem (dom)deras

Sin, sitt, sina

Verwijst terug naar het onderwerp van dezelfde zin. Hans/hennes/deras verwijst naar iemand anders.

  • Han tvättar sin bil.Hij wast zijn eigen auto.
  • Han tvättar hans bil.Hij wast de auto van een ander.

Veelgemaakte fouten

Hon älskar hennes barn.

Hon älskar sina barn.

Eigen kinderen = sina.

Verder lezen