Naslagwerk
Grammatica
Alle Zweedse grammatica op één plek — om snel iets op te zoeken terwijl je leert. Per onderwerp vind je heldere uitleg, tabellen, voorbeeldzinnen en de fouten die Nederlandstaligen het vaakst maken.
Uitspraak & spelling
Het alfabet, klinkers en lastige klanken
29 letters, 9 klinkers en een handvol klanken die anders zijn dan in het Nederlands: sj, tj, k+e/i/y/ä/ö en de zachte g.
Bekijk uitleg →A2Woordmelodie en klemtoon
Zweeds heeft twee toonaccenten. De melodie maakt het verschil tussen anden (de eend) en anden (de geest).
Bekijk uitleg →Zelfstandige naamwoorden
En-woorden en ett-woorden
Zweeds kent twee geslachten: en (ongeveer 75% van alle woorden) en ett. Het geslacht bepaalt het lidwoord, de uitgang en de vorm van het bijvoeglijk naamwoord.
Bekijk uitleg →A1Meervoud: de vijf declinaties
Zweeds heeft vijf meervoudsgroepen: -or, -ar, -er, -n en geen uitgang. De groep hangt samen met het geslacht en de eindletter.
Bekijk uitleg →A1Bezit: genitief met -s
Bezit vorm je met een simpele -s, zonder apostrof: Annas bok, husets tak.
Bekijk uitleg →Bijvoeglijke naamwoorden
Werkwoorden
Tegenwoordige tijd (presens)
Goed nieuws: het werkwoord verandert nooit met de persoon. Jag är, du är, vi är — één vorm voor iedereen.
Bekijk uitleg →A2Verleden tijd: preteritum en perfectum
Preteritum (talade) voor afgesloten momenten met tijdsaanduiding, perfectum (har talat) voor ervaring en gevolg voor nu.
Bekijk uitleg →A2Toekomst en hulpwerkwoorden
Zweeds heeft geen echte toekomende tijd: presens, ska of kommer att. En na kan/måste/vill volgt de infinitief zónder att.
Bekijk uitleg →B1Gebiedende wijs en passief
De imperatief is de kortste vorm van het werkwoord. Passief maak je met -s of met bli + participium.
Bekijk uitleg →B1Partikelwerkwoorden
Werkwoord + partikel vormt een nieuwe betekenis. De klemtoon ligt op het partikel: tycka OM, känna IGEN.
Bekijk uitleg →Voornaamwoorden
Woordvolgorde
Woordvolgorde in de hoofdzin (V2)
Het vervoegde werkwoord staat altijd op plaats twee. Begin je met iets anders dan het onderwerp, dan schuift het onderwerp achter het werkwoord.
Bekijk uitleg →A2Bijzinnen en de BIFF-regel
BIFF: In een Bijzin komt Inte Före het Finiete werkwoord. Precies andersom dan in de hoofdzin.
Bekijk uitleg →A1Vragen stellen en ontkennen
Ja/nee-vragen beginnen met het werkwoord; vraagwoorden staan op plaats één.
Bekijk uitleg →Kleine woorden
Voorzetsels
i, på, till, från, av, med, för — de betekenis verschuift per situatie. Leer ze in vaste combinaties.
Bekijk uitleg →A2Bijwoorden van plaats: hem of hemma?
Zweeds onderscheidt beweging (hem, hit, dit, ut) en positie (hemma, här, där, ute).
Bekijk uitleg →B1Voegwoorden en verbindingswoorden
Nevenschikkend (och, men, för) verandert de volgorde niet; onderschikkend (att, eftersom, om) maakt een bijzin.
Bekijk uitleg →Getallen & tijd
Iets niet kunnen vinden?
Dit naslagwerk groeit mee met de cursussen. Stel je vraag aan de digitale leerkracht of oefen het onderwerp meteen in de oefenmodule.