Kleine woorden · niveau A2
Bijwoorden van plaats: hem of hemma?
Zweeds onderscheidt beweging (hem, hit, dit, ut) en positie (hemma, här, där, ute).
Beweging versus positie
| Beweging (waarheen?) | Positie (waar?) | Nederlands |
|---|---|---|
| hem | hemma | naar huis / thuis |
| hit | här | hierheen / hier |
| dit | där | daarheen / daar |
| ut | ute | naar buiten / buiten |
| in | inne | naar binnen / binnen |
| upp | uppe | omhoog / boven |
| ner | nere | omlaag / beneden |
| bort | borta | weg / afwezig |
Voorbeelden
- Jag går hem nu.Ik ga nu naar huis.
- Jag är hemma.Ik ben thuis.
- Kom hit!Kom hier!
Veelgemaakte fouten
Jag går hemma.
Jag går hem.