← Grammatica-naslagwerk

Woordvolgorde · niveau A1

Vragen stellen en ontkennen

Ja/nee-vragen beginnen met het werkwoord; vraagwoorden staan op plaats één.

Vraagwoorden

ZweedsNederlandsVoorbeeld
vadwatVad gör du?
vemwieVem är det?
varwaarVar bor du?
vartwaarheenVart ska du?
närwanneerNär börjar filmen?
hurhoeHur mår du?
varförwaaromVarför skrattar du?
vilken/vilket/vilkawelkeVilken buss tar du?

Ja/nee-vragen

  • Bor du i Sverige?Woon je in Zweden?
  • Har du tid?Heb je tijd?

Ja en jo

Op een ontkennende vraag antwoord je bevestigend met jo, niet met ja.

  • — Vill du inte äta? — Jo, gärna!— Wil je niet eten? — Jawel, graag!

Verder lezen